• Introduction
  • Taches
  • Methode
  • Ressources
  • Evaluation

Werkwoordstijden

 

Werkwoordsvormen blijven een vervelend onderwerp. Om een gesprek te begrijpen zijn ze echter erg belangrijk. Net zoals in het Nederlands bepaalt een werkwoord de strekking van de zin. De vragen wie, wat wanneer worden met het werkwoord duidelijk gemaakt.

 

Neem nu eens het eenvoudige zinnetje:

 

Jantje loopt door het park.

 

Door het werkwoord te wijzigen (Liep, heeft gelopen, gaat lopen) verander je de strekking van de zin.

 

In het Frans is dit hetzelfde. In het Nederlands zijn deze werkwoorden vrij makkelijk, het is immers onze moedertaal. Maar als je goed nadenkt heb je ook hiervoor hard moeten leren. Was het nu met een "d" of met "dt"?

 

In het Frans kennen we, net als in het Nederlands, de volgende tijden:

 

 

Le présent onvoltooid tegenwoordige tijd ( o.t.t.) ik loop
L'imparfait onvoltooid verleden tijd (o.v.t) ik liep
le passé composé voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.) ik heb gelopen
le futur proche tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.) ik ga lopen
le futur tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.) ik zal lopen

 

 

 

 

Le présent (o.t.t.)

 

 

Regelmatige werkwoorden op - er

De meeste Franse werkwoorden eindigen op -er. Bijna al deze werkwoorden worden op dezelfde manier vervoegd. Dit zijn de regelmatige werkwoorden.

De stam vind je door -er weg te laten. Achter de stam zet je de uitgangen.


habiter

wonen

stam

habit

je/j'

habite

ik woon

tu

habites

jij woont

il, elle, on

habite

hij/zij/men woont

nous

habitons

wij wonen

vous

habitez

u woont/jullie wonen

ils, elles

habitent

zij wonen


 

 

 

 

 

 

 

 

De volgende werkwoorden worden op dezelfde manier gevormd:

aimer

houden van

chanter

zingen

chercher

zoeken

commander

bestellen

commencer

beginnen

demander

vragen

donner

geven

écouter

luisteren

fermer

sluiten

nager

zwemmen

penser

denken

regarder

kijken

travailler

werken

trouver

vinden

 

 

Naast de werkwoorden die eindigen op -er heb je ook nog werkwoorden die op -ir eindigen. De regelamtige werkwoorden vervoeg je op de volgende manier:


De regelmatige werkwoorden op -ir gaan als choisir.

 

 

choisir

kiezen
stam: chois  

je/j'

choisis

ik kies

tu

choisis

jij kiest

il, elle, on

choisit

hij/zij/men kiest

nous

choisissons

wij kiezen

vous

choisissez

u kiest/jullie kiezen

ils, elles

choisissent

zij kiezen


Zo gaan bijvoorbeeld ook:

finir

eindigen

rougir

blozen

réussir

slagen

ralentir

verminderen

réfléchir

nadenken

remplir

invullen

 

 

 

Nu bestaat er nog één vorm regelmatige werkwoorden. Dit zijn de werkwoorden die eindigen op -re

 

De regelmatige werkwoorden op -re gaan als rendre.

 

 

 

rendre

teruggeven

stam:

rend

 

je/j'

rends

ik geef terug

tu

rends

jij geeft terug

il, elle, on

rend

hij/zij/men geeft terug

nous

rendons

wij geven terug

vous

rendez

u geeft terug/jullie geven terug

ils, elles

rendent

zij geven terug

 

 

Hiernaast zijn er veel onregelmatige werkwoorden. Hier een overzicht van de meest gebruikte. Je hoeft alleen être(zijn), avoir(hebben), aller(gaan) en faire(maken, doen) helemaal te kennen. De anderen hoef je alleen nog maar te herkennen.

 

 

L'imparfait (o.v.t.)

 

Je gebruikt de imparfait om te vertellen hoe iets was of om te vertellen over gewoontes uit het verleden.

 

1

neem de nous -vorm van de tegenwoordige tijd;

2

knip -ons eraf;

3

voeg de vetgedrukte uitgangen toe.

 

Habiter = nous habitons - ons = habit +


je

habit

ais

ik woonde

tu

habit

ais

jij woonde

il/elle/on

habit

ait

hij/zij/men woonde

nous

habit

ions

wij woonden

vous

habit

iez

jullie woonden

ils/elles

habit

aient

zij woonden


De grote en énige uitzondering is het werkwoord être:


De imparfait van het werkwoord être is anders de stam is: ét dus: j'étais - ik was. Verder voeg je dezelfde uitgangen toe.

 

J'étais champion du monde.

Ik was wereldkampioen.

tu étais champion du monde.

jij was wereldkampioen. enz.

 

 

Le passé composé (v.t.t)

 

Als je iets wilt vertellen of schrijven wat in het verleden is gebeurd, gebruik je de passé composé. Deze bestaat uit een hulpwerkwoord ( avoir/hebben of être/zijn ) en een voltooid deelwoord.
Let op: Gebruik de passé composé als het om een gebeurtenis (actie of handeling) gaat. Gebruik de imparfait als het om een beschrijving of gewoonte gaat.

 

In (bijna) alle gevallen, kan je hetzelfde hulpwerkwoord gebruiken die je in het Nederlands ook gebruikt. De grote uitzondering hierop zijn de wederkerende werkwoorden. Klik hier als je hier meer over wilt weten.

 

Zoals je bij de Présent hebt gezien, kennen wij in het Frans 3 soorten regelmatige werkwoorden.

 

werkwoorden op:

 

 

- er

verwijder de -er en voeg é toe

regarder = j'ai regardé (ik heb gekeken)

- ir

verwijder de -ir en voeg i toe

finir = j'ai fini (ik heb geëindigd)

- re

verwijder de -re en voeg u toe

perdre = j'ai perdu (ik heb verloren)

 

 

Als de voltooide tijd met être wordt vervoegd, moet het voltooid deelwoord vervoegd worden naar de persoon waar het over gaat. Hier een voorbeeld:

 

 

Hij is geweest il est allé -
Zij is geweest elle est allée + é
De jongens zijn geweest les garçons sont allés + és
De meisjes zijn geweest Les filles sont allées + és

 

 

 

Om de passé composé te volgen moet je dus een aantal stappen doorlopen:

 

1. maak het voltooid deelwoord (zoals hierboven beschreven)

2. bepaal welk hulpwerkwoord er gebruikt wordt: être of avoir?

3. vorm het hulpwerkwoord naar de persoonsvorm (je, tu, il etc. )

4. als het werkwoord met être wordt vervoegd, pas dan het voltooid deelwoord aan naar de persoon waar het over gaat.

 

 

 

De volgende werkwoorden hebben een onregelmatig voltooid deelwoord.

faire
j'ai fait
ik heb gedaan

prendre
j'ai pris
ik heb genomen

avoir
j'ai eu
ik heb gehad

être
j'ai été
ik ben geweest

 

 

Le futur proche

 

De Futur Proche is een van de tegenwoordige toekomende tijden. In Nederland kunnen wij maar 1 vorm. Frankrijk maakt een verschil tussen iets wat in de nabije toekomst gaat gebeuren en iets wat in de verre toekomst gebeurd.

 

Dus als je iets zegt over vanavond, morgen, overmorgen of volgende week, dan gebruik je in het Frans de Futur Proche.

 

Het werkwoord aller (gaan)+ verbe à l’infinitif (het hele werkwoord)

 

Je vais + Verbe à l'infinitif (het hele werkwoord)
Tu vas
il/elle/on va
nous allons
vous allez
ils/elles vont

 

Dus bijvoorbeeld:

 

Demain, je vais regarder ce film (Morgen ga ik die film kijken)

 

 

Le futur

 

Zoals hierboven al vermeld, maakt men in Frankrijk een verschil tussen iets wat in de nabije toekomst gaat gebeuren en iets wat in de verre toekomst gebeurd. Hier behandelen we de 2e vorm, de Futur, iets wat in de verdere toekomst gebeurd.

 

De futur (tegenwoordige toekomende tijd) wordt in het Nederlands gevormd door het werkwoord "zullen" bij het hele werkwoord te gebruiken. (Ik zal gaan, wij zullen gaan). In het Frans gaat dit op een iets andere manier:

 

 

je

regarder

ai

iik zal kijken

tu

regarder

as

jij zal kijken

il/elle/on

regarder

a

hij/zij/men zal kijken

nous

regarder

ons

wij zullen kijken

vous

regarder

ez

jullie zullen kijken

ils/elles

regarder

ont

zij zullen kijken


Hier nog enkele veel voorkomende uitzonderingen:

 

Bij sommige werkwoorden is de futur onregelmatig:

 

 

avoir

j'aurai, tu auras, nous aurons

être

Je serai

aller

j'irai,

faire

je ferai

voir

je verrai

devoir

je devrai

revenir

je reviendrai

falloir

il faudra

pouvoir

je pourrai

vouloir

je voudrai


 

 

 

 

 


Aides

  • Uitleg Werkwoordstijden regelmatige werkwoorden
  • Overzicht onregelmatige werkwoorden
  • Oefeningen werkwoorden
  • Luisteroefeningen
  • Wat moet er in het dossier?

Justification

  • Professeur
  • Justification

Copyright © 2008. P. van Kempen