Werkwoordstijden
Werkwoordsvormen blijven een vervelend onderwerp. Om een gesprek te begrijpen zijn ze echter erg belangrijk. Net zoals in het Nederlands bepaalt een werkwoord de strekking van de zin. De vragen wie, wat wanneer worden met het werkwoord duidelijk gemaakt.
Neem nu eens het eenvoudige zinnetje:
Jantje loopt door het park.
Door het werkwoord te wijzigen (Liep, heeft gelopen, gaat lopen) verander je de strekking van de zin.
In het Frans is dit hetzelfde. In het Nederlands zijn deze werkwoorden vrij makkelijk, het is immers onze moedertaal. Maar als je goed nadenkt heb je ook hiervoor hard moeten leren. Was het nu met een "d" of met "dt"?
In het Frans kennen we, net als in het Nederlands, de volgende tijden:
| Le présent | onvoltooid tegenwoordige tijd ( o.t.t.) | ik loop |
| L'imparfait | onvoltooid verleden tijd (o.v.t) | ik liep |
| le passé composé | voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.) | ik heb gelopen |
| le futur proche | tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.) | ik ga lopen |
| le futur | tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.) | ik zal lopen |
Le présent (o.t.t.)
Regelmatige werkwoorden op - er
De meeste Franse werkwoorden eindigen op -er. Bijna
al deze werkwoorden worden op dezelfde manier vervoegd. Dit zijn de regelmatige
werkwoorden.
De stam vind je door -er weg te laten. Achter de stam
zet je de uitgangen.
|
|
habiter |
wonen |
|
stam |
habit |
|
|
je/j' |
habite |
ik woon |
|
tu |
habites |
jij woont |
|
il, elle, on |
habite |
hij/zij/men woont |
|
nous |
habitons |
wij wonen |
|
vous |
habitez |
u woont/jullie wonen |
|
ils, elles |
habitent |
zij wonen |
De volgende werkwoorden worden op dezelfde manier gevormd:
|
aimer |
houden van |
|
chanter |
zingen |
|
chercher |
zoeken |
|
commander |
bestellen |
|
commencer |
beginnen |
|
demander |
vragen |
|
donner |
geven |
|
écouter |
luisteren |
|
fermer |
sluiten |
|
nager |
zwemmen |
|
penser |
denken |
|
regarder |
kijken |
|
travailler |
werken |
|
trouver |
vinden |
Naast de werkwoorden die eindigen op -er heb je ook nog werkwoorden die op -ir eindigen. De regelamtige werkwoorden vervoeg je op de volgende manier:
De regelmatige werkwoorden op -ir gaan als
choisir.
|
choisir |
kiezen | |
| stam: | chois | |
|
je/j' |
choisis |
ik kies |
|
tu |
choisis |
jij kiest |
|
il, elle, on |
choisit |
hij/zij/men kiest |
|
nous |
choisissons |
wij kiezen |
|
vous |
choisissez |
u kiest/jullie kiezen |
|
ils, elles |
choisissent |
zij kiezen |
Zo gaan bijvoorbeeld ook:
|
finir |
eindigen |
|
rougir |
blozen |
|
réussir |
slagen |
|
ralentir |
verminderen |
|
réfléchir |
nadenken |
|
remplir |
invullen |
Nu bestaat er nog één vorm regelmatige werkwoorden. Dit zijn de werkwoorden die eindigen op -re
De regelmatige werkwoorden op -re gaan als rendre.
|
|
rendre |
teruggeven |
|
stam: |
rend |
|
|
je/j' |
rends |
ik geef terug |
|
tu |
rends |
jij geeft terug |
|
il, elle, on |
rend |
hij/zij/men geeft terug |
|
nous |
rendons |
wij geven terug |
|
vous |
rendez |
u geeft terug/jullie geven terug |
|
ils, elles |
rendent |
zij geven terug |
Hiernaast zijn er veel onregelmatige werkwoorden. Hier een overzicht van de meest gebruikte. Je hoeft alleen être(zijn), avoir(hebben), aller(gaan) en faire(maken, doen) helemaal te kennen. De anderen hoef je alleen nog maar te herkennen.
L'imparfait (o.v.t.)
Je gebruikt de imparfait om te vertellen hoe iets was of om te vertellen over gewoontes uit het verleden.

|
1 |
neem de nous -vorm van de tegenwoordige tijd; |
|
2 |
knip -ons eraf; |
|
3 |
voeg de vetgedrukte uitgangen toe. |
Habiter = nous habitons - ons = habit +
|
je |
habit |
ais |
ik woonde |
|
tu |
habit |
ais |
jij woonde |
|
il/elle/on |
habit |
ait |
hij/zij/men woonde |
|
nous |
habit |
ions |
wij woonden |
|
vous |
habit |
iez |
jullie woonden |
|
ils/elles |
habit |
aient |
zij woonden |
De grote en énige uitzondering is het werkwoord être:
De imparfait van het werkwoord être is anders de stam is: ét dus: j'étais - ik was. Verder voeg je dezelfde uitgangen toe.
|
J'étais champion du monde. |
Ik was wereldkampioen. |
|
tu étais champion du monde. |
jij was wereldkampioen. enz. |
Le passé composé (v.t.t)
Als je iets wilt vertellen of schrijven wat in het verleden is gebeurd,
gebruik je de passé composé.
Deze bestaat uit een hulpwerkwoord
( avoir/hebben of être/zijn ) en een voltooid deelwoord.
Let op: Gebruik de passé composé als het om een gebeurtenis
(actie of handeling) gaat. Gebruik de imparfait als het om een beschrijving
of gewoonte gaat.
In (bijna) alle gevallen, kan je hetzelfde hulpwerkwoord gebruiken die je in het Nederlands ook gebruikt. De grote uitzondering hierop zijn de wederkerende werkwoorden. Klik hier als je hier meer over wilt weten.
Zoals je bij de Présent hebt gezien, kennen wij in het Frans 3 soorten regelmatige werkwoorden.
|
werkwoorden op: |
|
|
|
- er |
verwijder de -er en voeg é toe |
regarder = j'ai regardé (ik heb gekeken) |
|
- ir |
verwijder de -ir en voeg i toe |
finir = j'ai fini (ik heb geëindigd) |
|
- re |
verwijder de -re en voeg u toe |
perdre = j'ai perdu (ik heb verloren) |
Als de voltooide tijd met être wordt vervoegd, moet het voltooid deelwoord vervoegd worden naar de persoon waar het over gaat. Hier een voorbeeld:
| Hij is geweest | il est allé | - |
| Zij is geweest | elle est allée | + é |
| De jongens zijn geweest | les garçons sont allés | + és |
| De meisjes zijn geweest | Les filles sont allées | + és |
Om de passé composé te volgen moet je dus een aantal stappen doorlopen:
1. maak het voltooid deelwoord (zoals hierboven beschreven)
2. bepaal welk hulpwerkwoord er gebruikt wordt: être of avoir?
3. vorm het hulpwerkwoord naar de persoonsvorm (je, tu, il etc. )
4. als het werkwoord met être wordt vervoegd, pas dan het voltooid deelwoord aan naar de persoon waar het over gaat.
De volgende werkwoorden hebben een onregelmatig voltooid deelwoord.
faire
j'ai fait
ik heb gedaan
prendre
j'ai pris
ik heb genomen
avoir
j'ai eu
ik heb gehad
être
j'ai été
ik ben geweest
Le futur proche
De Futur Proche is een van de tegenwoordige toekomende tijden. In Nederland kunnen wij maar 1 vorm. Frankrijk maakt een verschil tussen iets wat in de nabije toekomst gaat gebeuren en iets wat in de verre toekomst gebeurd.
Dus als je iets zegt over vanavond, morgen, overmorgen of volgende week, dan gebruik je in het Frans de Futur Proche.

Het werkwoord aller (gaan)+ verbe à linfinitif (het hele werkwoord)
| Je vais | + Verbe à l'infinitif (het hele werkwoord) |
| Tu vas | |
| il/elle/on va | |
| nous allons | |
| vous allez | |
| ils/elles vont |
Dus bijvoorbeeld:
Demain, je vais regarder ce film (Morgen ga ik die film kijken)
Le futur
Zoals hierboven al vermeld, maakt men in Frankrijk een verschil tussen iets wat in de nabije toekomst gaat gebeuren en iets wat in de verre toekomst gebeurd. Hier behandelen we de 2e vorm, de Futur, iets wat in de verdere toekomst gebeurd.
De futur (tegenwoordige toekomende tijd) wordt in het Nederlands gevormd door het werkwoord "zullen" bij het hele werkwoord te gebruiken. (Ik zal gaan, wij zullen gaan). In het Frans gaat dit op een iets andere manier:

|
je |
regarder |
ai |
iik zal kijken |
|
tu |
regarder |
as |
jij zal kijken |
|
il/elle/on |
regarder |
a |
hij/zij/men zal kijken |
|
nous |
regarder |
ons |
wij zullen kijken |
|
vous |
regarder |
ez |
jullie zullen kijken |
|
ils/elles |
regarder |
ont |
zij zullen kijken |
Hier nog enkele veel voorkomende uitzonderingen:
Bij sommige werkwoorden is de futur onregelmatig:
|
avoir |
j'aurai, tu auras, nous aurons |
|
être |
Je serai |
|
aller |
j'irai, |
|
faire |
je ferai |
|
voir |
je verrai |
|
devoir |
je devrai |
|
revenir |
je reviendrai |
|
falloir |
il faudra |
|
pouvoir |
je pourrai |
|
vouloir |
je voudrai |